Het geslacht Ripperda

 

Het geslacht Ripperda behoort ontegenzeggelijk tot de oudste en voornaamste adellijke en riddermatige geslachten der Nederlanden. De geschiedenis van het geslacht is nauw verbonden met die van de provincies Groningen, Overijssel en Gelderland, alswel Oost-Fnesland en Westfalen in Duitsland.

Oorsprong
     Er waren meerdere versies in omloop betreffende de oorsprong der Ripperda’s. De beroemde Johan Willem Ripperda bedacht zelfs dat het geslacht van oorsprong Spaans zou zijn geweest in een poging zijn sociale en politieke machtspositie in Spanje te versterken.

    De preciese oorsprong van het geslacht is met met zekerheid vast te stellen. Wel staat vast dat de Ripperda’s tot de inheems Friese hoofdelingenadel van de Ommelanden behoorden. Naar alle waarschijnlijkheid stamt het geslacht uit Oost-Friesland en hebben leden zich reeds vóór 1300 bij Nansum, Farmsum en Winsum in de Ommelanden gevestigd.

     De familie ontleent haar naam hoogstwaarschijnlijk aan de mannelijke voornaam Rippert (Rypert, Rupert), zoals veel Friese geslachtsnamen eigenlijk patroniemen zijn1. In het Oorkondenbestand van Groningen en Drenthe vindt men Ripperda ook geschreven als Ripperdes, Rypperdes, Rijpperdes, Ryppertha en Rypertszoen. Verder komt ene Rippert Ripperda bij verschillende schrijvers voor2.

     De eerste vermelding van een Ripperda dateerd uit 1057 toen de rijke, Oostfnese grootgrondbezitter, Frenk Ripperda, bekend stond wegens zijn vroomheid en het bouwen van kerken. In een afschrift van een bewezen oorkonde van omstreeks 1323 verschijnt Aylwarth Rippertha van de Were3 als medezijlrechter van Winsum. Nagenoeg gelijktijdig leeft Thiacko Ryperta, die optreedt als medebelanghebbende bij een overeenkomst over het redgerschap in Holwierde. Wat echter de verwantschap van deze beide Ripperda’s en hun nakomelingen betreft, daarom trend ontbreken duidelijke gegevens. Verder komt Siabbe Ripperda tussen 1380 en 1385 in meerdere oorkonden voor als hoofdeling te Garreweer en Dijkhuizen. Deze Siabbe zou volgens de “Wiener Stammtafel” der Ripperda's een broer van Unico I zijn geweest4. Tenslotte vinden wij Ryppert Rypperde en Abbo Ripperda respectievelijk in 1422 en 1444 als hoofdelingen in Dongeradeel en bezitters van de Ripperda-State te Bornwird in Friesland. Deze Abbo maakte samen met ene Focko Ripperda deel uit van de groep van hoofdelingen die in 1444 het Verdrag van Groningen ondertekende. Wederom is het onduidelijk hoe deze Ripperda's met elkaar verwant zijn.

     Tenslotte zijn er vermeldingen uit de 17de eeuw van een tak der Ripperda's die tijdens de 15de en 16de eeuw aan de Duitse Oostzeekust woonde en verwant was met het geslacht Von Holsten5. Een lid van deze tak, Fredo von Ripperda, schijnt een wapen te hebben gevoerd dat echter volledig afweek van het Ripperda stamwapen6.

     Het feit dat de stamwapens van de geslachten Ripperda en Tho Nansum identiek zijn, alhoewel met verwisselde kleuren en een ander helmteken, doet inderdaad vermoeden dat beide uit dezelfde stam voortkomen. De kroniek van Wittewierum vermeldt in 1208 ene Eggardus de Nothensum en in 1267 ene Ripertus de Nothensum. Verder wordt in 1452 de “Ripperdeheert to Nansum" als een steenhuis in het Holwierder redschap genoemd.

     Dat er tevens een nauwe verwantschap tussen de Ripperda's en de Addinga's van Wedde en Westerwolde bestond is wel duidelijk. Het betreft hier echter niet twee aftakkingen van hetzelfde geslacht maar twee door huwelijken met elkaar verbonden geslachten. In 1392 werd Unico I Ripperda tot Farmsum voogd van de gebroeders Adde, Hayo en Bolo Addinga, zonen van Eggerik I, heer van Wedde en Westerwolde, en Unico’s zus, Margaretha Ripperda7. Unico I was op zijn beurt getrouwd met de zus van Eggerik. Ook de in beide geslachten veel voorkomende voornamen Hayo, Eggerik, Bolo, e.a. wijzen op een verwantschap. Hayo Addinga van Westerwolde voerde nota bene hetzelfde wapen als dat van de Ripperda’s, behalve dat het email van het veld bij de Ripperda’s zwart is en bij de Addinga’s blauw. Dit wapen schijnt echter te zijn ontleend aan dat van zijn moeder, Margaretha Ripperda. Zijn vader Eggerik voerde oorspronkelijk een leeuw als stamwapen.

     De bovengenoemde Unico I Ripperda tot Farmsum wordt formeel als stamvader der Ripperda’s beschouwd. Hij komt tussen de jaren 1375 en 1398 in vijf verschillende oorkonden voor als Unico, Uniko, Umke, Uncko, Oncko en Oeneke.

Adellijk & Riddermatig
     In Duitsland wordt het geslacht Ripperda formeel tot de z.g. Uradel gerekend — d.w.z. geslachten die reeds vóór 1400 als adellijk werden beschouwd8.

     Er waren traditioneel gedurende de 16de en 17de eeuw meerdere adellijke familienetwerken die zich uitstrekten over de gewesten aan weerszijden van de Duits-Nederlandse grens. Het geslacht Ripperda was hiervan een uitstekend voorbeeld. Leden verspreidden zich snel over deze gewesten, alwaar zij belangrijke bestuurlijke en militaire functies bekleedden. Hun aanzien, macht en rijkdom nam snel toe door het vinden van opportune huwelijkspartners. Dankzij deze dynastieke allianties behoorden de Ripperda's spoedig tot de voornaamste edelen van de regio9.

     In de Ommelanden en Oost-Fnesland behoorden zij tot de oudste en machtigste hoofdelingengeslachten ("de Oldsten") en werden zodoende als “jonker", “nobiles" (edel) en “erentfest" aangeduid. Zo waren zij nauw verbonden met de hoofdelingengeslachten Manmnga, Addinga, Cirksena (de latere rijksgraven van Oost-Fnesland), Ukena, Von Frese, Beninga, Van Ewsum, Rengers, Von Inn- und Knyphausen, Clant, Lewe, Coenders, etc.

     In Overijssel speelde meerdere generaties der Ripperda's een leidende rol in de locale Ridderschappen en raakten zodoende nauw verbonden met de inheemse Overijsselse, Gelderse en Westfaalse riddermatige geslachten Van Buckhorst, Van Raesfelt, Van Twickelo, Van Pallandt, Van Welvelde, Van Coeverden, Van Ittersum, Bentinck, Van Keppel, Von Münchhausen, Von Münster, Von Droste, Von Ledebur, Von Bar, Von Heyden, Von Loë, etc.

     Ripperda-telgen hebben krachtens geboorte en bezit vele jaren lang deel uitgemaakt van de Ridderschappen van Overijssel (Twente, Salland en Vollenhoven), Gelderland (Zutphen), Drenthe en Münster. Verder hebben meerdere Ripperda's zelfs de functie van drost bekleed, waaronder die van de Overijsselse kwartieren Salland en Twente. Vanaf het midden van de 18de eeuw begon de familie echter veel van haar toenmalige luister en invloed te verliezen.

     Het geslacht Ripperda bestond h.t.l. aanvankelijk uit de drie hoofdtakken van Famsum, Oosterwijtwerd en Winsum. De Farmsumer hoofdtak splitste zich in de 16de eeuw reeds in tweeën, t.w. in een tak waarvan leden op de borg te Farmsum zetelden, en in de tak van Petkum in Oost- Friesland, waaruit later ook de tak van Vorden in Gelderland zou voortkomen. Leden van de hoofdtak van Oostwijtwerd waren veelal buiten de Ommelanden gevestigd. Uit de Oostwijtwerder hoofdtak ontsprootten tevens de Overijsselse en Westfaalse takken van Boxbergen, Weldam, Venhaus en Ellerburg, alswel de Ellerburger zijtak, genaamd Cosijn von Ripperda.

     Reeds op 12 januari 1474 werd Unico II Ripperda door keizer Fredenk III van het Heilige Roomse Rijk verheven tot rijksonmiddellijke hoofdeling en vrijheer met tol- en muntrecht10. Bij besluit van keizer Leopold I d.d. 3 september 1676 werd voor alle leden van het geslacht Ripperda de titel Rijksbaron c.q. Rijksbarones met de aanspreekvorm “Wohlgeboren" erkend en bevestigd11.

     Binnen de Republiek behoorden de Ripperda's tot de riddermatige geslachten die vanouds gerechtigd waren in een Ridderschapscollege te verschijnen. Hoewel de Republiek en de Ridderschappen buitenlandse titels en adelsbrieven officiëel niet erkende, voerden veel Ripperda's openlijk de titel ‘baron' of ‘barones', hetgeen zeker niet ongebruikelijk was onder hun standsgenoten. Tenslotte werd de beruchte Johan Willem Ripperda door koming Philips V van Spanje verheven tot hertog en Grande12.

     Op het moment van de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813 waren de Nederlandse takken van het geslacht Ripperda inmiddels uitgestorven. Dientengevolge heeft men hier te lande nimmer erkenning van adel of titel aangevraagd. Het is echter curieus dat stamhouders van de zijtak Cosijn von Ripperda dit niet alsnog deden nadat zij zich tijdens het inter bellum wederom in Nederland vestigden. Zo is het te verklaren dat afstammelingen van dit oudadellijke geslacht wèl tot de Duitse, Oostenrijkse en Spaanse adel behoren, doch formeel niet tot de Nederlandse adel13.

Nazaten
     Het geslacht Ripperda telt meerdere telgen die een voorname rol hebben gespeeld in de Nederlandse en Europese geschiedenis. Zo mag men niet vergeten te noemen Wigbolt Ripperda tot Winsum, die als Gouverneur van Haarlem die stad heldhaftig tegen de Spanjaarden verdedigde; en Willem Ripperda tot Boxbergen, die in 1548 als gedeputeerde van Overijssel de Vrede van Munster ondertekende. Eén van de meest kleurrijke persoonlijkheden van de 18e eeuw was wel de voorgenoemde Johan Willem Ripperda, tevens afkomstig uit de Winsumer hoofdtak, die het tot Spaanse hertog en eerste minister schopte om uiteindelijk berooid in Marokko te eindigen. Tenslotte zijn er tal van koninklijke en vorstelijke afstammelingen door de erfvrouwelijke lijn, zoals koningin Margarethe II van Denemarken; koning Carl XVI Gustaf van Zweden; komng Willem-Alexander der Nederlanden; prins Carlos-Hugo de Bourbon de Parme, spaans troonpretendent14; en de graven en (later) vorsten Zu Innhausen & Knyphausen en Zu Münster.

Godsdienst
     De meeste Ripperda's bekeerden zich al vroeg tot het protestantisme en speelden een voorname rol tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Meerdere leden van de familie waren trouwe aanhangers van Luther en kende hem zelfs persoonlijk. Hoewel het meerendeel der Ripperda's protestants (met name luthers en gereformeerd) bleef, zijn er toch een aantal uitzonderingen.

     Binnen de Winsumer tak bleef men veelal rooms-katholiek, waaronder ook de familie van de beruchte Johan Willem en diens nakomelingen. De inmiddels uitgestorven Oostenrijkse tak van Ripperda-Boxbergen keerde reeds in 1656 tot het katholicisme terug.

     De voorouders van Hendrik Cosijn von Ripperda waren vanouds luthers doch zijn moeder was rooms-katholiek. Hij heeft zelf voor het katholicisme gekozen en zijn drie zonen worden ook katholiek opgevoed. Dit betekent dat in deze een nieuwe, rooms-katholieke tak is gesticht.

Het geslacht vandaag
     De Nederlandse takken van Oosterwijtwerd, Winsum, Farmsum, Vorden en Weldam stierven reeds vóór 1800 uit. De Duitse tak van Petkum stierf in circa 1739 uit, de Nederlands-Oostennjkse tak van Boxbergen in 1920, en de tak van Ellerburg in Duitsland kort na de Tweede Wereldoorlog15. Inmiddels is ook de Ellerburgse tak in Denemarken in de mannelijke lijn uitgestorven.

     Tegenwoordig overleven enkel nog één vrouwelijke, Deense telg van de Ellerburgse tak in Kopenhagen, terwijl de vijf stamhouders van de Duits-Nederlands-Deense tak genaamd Cosijn von Ripperda momenteel in Engeland en Frankrijk woonachtig zijn16.

     Door het recente overlijden van William Freiher von Ripperda (ook genaamd Bill de Ripperda) is Hendrik Freiherr Cosijn von Ripperda formeel chef de familie geworden. Kort voor zijn dood heeft Bill de Ripperda zijn twee achterneven nog toestemming gegeven tot het voeren van de naam De Ripperda, hoewel dit eigenlijk niet conform het Hausgesetz der Ripperda's is. De nieuwe chef de familie heeft deze beslissing postuum erkend. De drie achterneven in kwestie erven in deze echter wel de naam maar niet het adeldom van dit geslacht17.

Verder is een eerder verzoek tot adoptie van de zoon en kleinzonen van Sophie Charlotte Freiin von Ripperda door Bill de Ripperda afgewezen.

Het geslacht stond tot een paar jaar geleden nog op uitsterven. Met de geboorte van de drie jonge stamhouders van de tak Cosijn von Ripperda bestaat echter de hoop dat dit oudadellijke geslacht toch weer zal bloeien.

--------------------------------------------------------------------

Noten

1 Een minder waarschijnlijke verklaring is de naamsafleiding van: "reit das Pferd da", blijkbaar in verband met het stamwapen. Er schijnt n.b. een familietraditie te bestaan dat veel Ripperda's te paard verongelukken en zodoende de zogenaamde "Ripperda-dood" sterven.

2 Zie noot 1 in het Voorwoord.

3 Lees: „Aylwarth Ripperda tot Garreweer“

4 Sommige bronnen wijzen naar ene Edseconis tho Garrawere als de mogelijke vader van Siabbe. Een andere en waarschijnlijker alternatief is dat de bovengenoemde Aylwarth zijn vader was. Duidelijke gegevens ontbreken echter.

5 Fredo von Ripperda was getrouwd met N.N. von Jemmingen (Jemgum). Hij leefde in circa 1500. Hun dochter, Anna Maria von Ripperda was getrouwd met Jürgen von Hoenen zu Loge, drost van Legert, zoon van Enno von Hoenen en N.N. von Saksena. Via het geslacht Von Hoenen was deze tak der Ripperda’s verwant met het geslacht Von Holsten.

6 Schild: gedeeld: Links, in zwart een halve adelaar van goud; Rechts, in rood twee lelies van goud boven elkaar. Helmteken: een lelie van goud tussen een vlucht. Voor verdere heraldische beschrijvingen, zie ook het hoofdstuk Heraldische Aantekeningen.

7 Eggerik I Addinga’s tweede echtgenote was Fossa Kenesma tom Broke (ook Focke Kekesma), dochter van Ocko I en Fokeldis Kampana von Strakholt.

8 In het Genealogisches Handbuch des Adels, Band XI - 2000 (Adelslexikon) wordt het geslacht alsvolgt omschreven: “Ostfriesischer Uradel, der mit Umco v. Ripperda, Häuptling zu Farmsum u. Wedda, 1375-1398 urkundl (Oorkondenboek van Groningen en Drenthe 1, Nr, 630, 820, 829, 952 u. 1019) auftritt und die Stammreihe beginnt, — Reichsfrhnstand Köln 12.1.1474 (vom Kaiser Friedrich III. Für Unico v. Ripperda, Häuptling zu Farmsum); Reichsfrhnstand mit "Wohlgebohren" u. Wappenvereinigung mit dem der Hrschaft Petchum, vorm. Gesandten der ostfries. Ldstände in Wien); span. Duque (primog) u. Grande von Spanien I. Klasse durch A.E. vom 18.7.1725, Diplom Madrid 12.2.1726 (für Johann Wilhelm Frhrn. V. Ripperda, Kgl. Span. Gesandten).”

In het Neues Allgememes Deutsches Adels-Lexicon. "Ripperda, Freiherren, Rjnchsfreihernstand. Diplom von 1474. Altes, ostfriesisches Adelsgeschlecht, welches auch im Stifte Minden, in der Mark Brandenburg in Thüringen u.s.w. begütert wurde, namentlich aber in den Niederlanden viele Besitzungen an sich brachte. Von Berthold v. Ripperda, Herrn der Herrlichkeit Boxbergen (um 1587) stammte Unico R und von diesem Balthasar Freih. V. R, Herr der Herrlichkeit Boxbergen und Osterwyk und von Letzterem Carl Victor, Herr zu Osterwyk, dessen Sohn, Gerhard Friedrich, Herr zu. Ellerburg und Dyckhausen, um 1690 im Stifte Minden. Ein v. R, welcher in Oberyssel sehr ansehnlich begütert war und namentlich die Herrlichkeit Pettkum besass, war um 1726 fürstl osfriesischer Hofrichter zu Aurich; Freih. Moritz Wilhelm befand sich 1786 als Deputierter der Provinz Geldern im Rathe der Generalstaaten und Johann Wilhelm Hertog von Rjpperda, k. spanischer oberster Staatsminister u.s.w., welcher besonders die Familie zu hohem Ansehen gebracht, starb 1737. Ein Sohn desselben war schon im 20. Lebensjähre, 1725, k. span. Minister in den Niederlanden, im folgenden Jahre Gesandter in Russland und dann am kaiserl. Hofe zu Wien, wo er sich mit Margaretha Grf. v. Cobenzl, verw. Grf. v. Blagay, gest. 1730, vermahlt hatte. Der Stamm blühte fort. Um 1837 war ein Freih. v. Rjpperda, k. preuss. Major a.D., Landrath des Kreises Düren im R -B. Aachen, und um dieselbe Zeit lebte auch ein k. preuss. Oberleutnant a.D. v. R In Österreich kommt noch in neuerer Zeit johann Freih. v. R als k. k. Major in d. A. vor”

In het Neues Preussisches Adels-Lexicon: “Ripperda, die Freiherren und Herren von. Sie stamen aus Ostfriesland und haben sich von da auch in verschiedenen andern deutschen Provinzen, namentlich in Westphalen, Thüringen und in den Marken medergelassen. [...] Das Wappen dieser Familie zeigt im goldenen Schilde einen Sshwartz gerüsteten Ritter auf schwartzem bäumenden Rasse. Auf dem Helme steht der Hals und Kopf eines Esels zwischen zwei rothen Flügeln."

In het Gothäisches Genealogisches Taschenbuch der Freiherrlichen Häuser (1894): “Alte ostfriesische Hauptlingsfamilie; d.d, Köln Mittwoch nach heilgen drei Königen 1474 9vom Kaiser Friedrich IV,) - W.: in schwartz ein nach rechts sprengender goldengeharnischter Ritter mit gezogem Schwert auf geharnischtem Roß. Der gekrönte Helm mit schwartzgoldener Decke trägt zwischen einem offenen goldenen Flug einen nach Links sehenden goldenen Drachenkopf mit gespaltener roter Zunge und roten Ohrenspitzen, um den Hals ein goldenes Halsband mit Ring. Schildhalter: zwei geflügelte Drachen."; en in het Gothäisches Genealogisches Taschenbuch der Freiherrlichen Häuser (1904): “Ostfriesischer Uradel".

9  Het geslacht had takken in Groningen (de Ommelanden), Oost-Friesland, Drenthe, Gelderland, Overijssel, Westfalen, Pruisen, Oostenrijk-Hongarije, Spanje, Denemarken en Engeland.

10 Unico II verkreeg deze gunsten tijdens het bezoek aan het keizerlijke hof in Keulen. Johan Rengers werd tijdens ditzelfde bezoek verheven tot ridder van het Gulden Vlies. Of Unico II deze eer deelde is echter onbekend.

11 Een kopie van het adelsdiploma van 3 september 1676 bevindt zich in het archief van de familie Cosijn von Ripperda, terwijl het origineel zich in het Österreichisches Staatsarchiv te Wenen bevindt.

12 Dit Spaanse adelsdiploma van 1725 bevindt zich in het Groninger Archief.

13 W.J.J.C. Bijleveld beschreef het geslacht Ripperda alsvolgt: “Hoofdelingengeslacht uit Oost Friesland, aldaar in de 11e eeuw vermeld. Sinds de 13e eeuw in de Ommelanden alwaar de bewezen stamreeks midden 14e eeuw aanvangt. Verheven tot Rijksonmiddelbare Rijksvrijheer met tol- en muntrecht door Keizer Frederik III 1474 en bevestigd als Rijksbaron op alle voor het hele geslacht door Keizer Leopold I 1676. Lid der Groningsche, Friesche, Drenthsche, Zutphensche, Overijsselsche en Munstersche Ridderschappen. Johan Willem R. uit de Winsumer tak werd 1725 door Koning Filips V van Spanje verheven tot Hertog en Grande der eerste klasse. Het geslacht is h.t.l. en in Oostenrijk uitgestorven. De takken in Duitschland en Denemarken tellen nog enkele stamhouders. Wijders leeft h.t.l. en in Duitschland nog oir van eene 19e eeuwse ondertak Cosyn von R. geheeten, en zich vanouds Baron noemend. Deze tak vroeg h.t.l. geene erkenning van titel aan.” De Ripperda’s behoren formeel tot de Duitse, Oostenrijkse, en Spaanse adel.

14 Zie ook het desbetreffende hoofdstuk op de website.

15 In erfvrouwelijke lijn pas in 1977

16 Het Friese patriciërsgeslacht Rijpperda/Rypperda/Rypperda Wierdsma is vernoemd naar de gelijknamige hoeve. Deze is wederom vernoemd naar het oud-adellijke geslacht Ripperda. Het betreft hier dus geen verwantschap. Dit verklaart ook een volledig afwijkend wapen. Hetzelfde geldt voor andere families met de naam Ripperda, m.u.v. de Ripperda's die in Duitsland en de VS leven. Hier betreft het de talloze nakomelingen van de bastaardzoon van Johan Willem R .

Daniël Berthelsen de Ripperda, Jacob Berthelsen de Ripperda en Jonas Berthelsen de Ripperda (allen geboren Berthelsen) zijn de zonen van Nina Charlotte Heegaard de dochter van Vibeke Charlotte baronesse de Ripperda.

17 De regels en wetgeving met betrekking tot de Duitse en Oostenrijkse adel (H.R Rijksadel) bepalen dat adeldom en titels enkel in de mannelijke lijn kunnen vererven en dus niet in de erfvrouwelijke lijn of door adoptie.

Bron: Genealogie van het geslacht Ripperda, Drs. P.W.G. van Agteren.

Copyright © 2016-2017 Rob Hubert. All rights reserved.
Joomla templates by a4joomla